Het dak eraf. De historie van de Witte Kerk
door Peter Bak (Sint-Pancras 2006)
‘Zeer duister en gebrekkelijk zijn de pennen der ouden in de beschrijving onzer vaderlandse geschiedenissen.’ Dit verzuchtte de Alkmaarse kroniekschrijver Simon Eikelenberg in 1713. Eikelenberg probeerde de geschiedenis van West-Friesland voor 1300 te boekstaven en stuitte daarbij op allerlei halve waarheden en aperte verzinsels. De Zaanse schoolmeester Hendrik Soeteboom had het volgens Eikelenberg wel heel bont gemaakt. In het boek Oudheden van Zaanland, Stavoren, Vroonen en Waterland, verschenen in 1702, hemelde Soeteboom het dorp Vronen – het huidige Sint-Pancras – tot een machtige koopmansstad op. De Romeinen hadden de stad daarom Veronam gedoopt, naar Verona, de Italiaanse havenstad. Veronam zou volgens Soeteboom tot Vronen zijn verbasterd.
    Eikelenberg, die in het dagelijks leven opzichter van Alkmaars gemeentewerken was, veegde Soetebooms voorstelling van zaken als ‘niets anders dan een verdigtzel’ van tafel. Vronen, ook wel ‘Vronlo’ of ‘Vronle’ genoemd, kwam van ‘vroon’, wat ‘vrij’ betekende. Dit sloeg volgens Eikelenberg op de onafhankelijke inborst van de dorpelingen. Ze weigerden zich aan iets of iemand te onderwerpen.

Verwoeste kerk
De werkelijke betekenis van Vronen is een stuk minder heroïsch. Vronen komt van vroonloo. ‘Vroon’ betekent domein, grond dat aan een landsheer toebehoort. ‘Loo’ betekent bos of begroeide plek. ‘Vronle’ was een geografische aanduiding, ook wel geschreven als Franla, Franlo, Froanen.
    Dat Eikelenberg de vrijheidsdrang van de bewoners in de naam weerspiegeld zag, had een reden. Vanaf het einde van de negende eeuw, toen de Noormannen het veld moesten ruimen en de graven van Holland hun gezag wilden laten gelden, vochten de West-Friezen voor hun vrijheid. De strijd duurde vier eeuwen, tot 1297, toen ze door graaf Jan I werden verslagen.
    Deze beslissende slag om West-Frieslands vrijheid vond plaats op de ‘Vronlegeist’, de geestgronden van Vronen. Meer dan drieduizend West-Friezen verloren het leven – als we chroniqueur Willelmus Jacobi, die rond 1330 procurator (administrateur) van de abdij in Egmond was, tenminste mogen geloven. In de grafelijke gelederen zouden slechts vier doden te betreuren zijn geweest. Maar de
In 1297 werd Vronen verbrand, de kerk verwoest
vertellingen van Willem Procurator waren niet bepaald onpartijdig. Hij stond aan de kant van de Hollandse grafelijkheid. Dat de West-Friezen zo weerspannig waren getuigde van ‘grote domheid’, schreef hij. ‘Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel, wilden zij liever in een storm ten onder gaan dan zich verheugen in het rustige weer van de vrede.’
    Na de veldslag werd Vronen verbrand, de kerk zwaar verwoest. Zes jaar later, in 1303, moet de kerk zijn ingestort. Naar verluidt werd de klok gered. Die kreeg een nieuwe bestemming in de kerk van Valkkoog.
    De verwoeste kerk stond in het zuiden van ons dorp, ter hoogte van waar tegenwoordig de hoek van de Bovenweg en de Meeuwenlaan is. Toen het terrein in de jaren dertig van de vorige eeuw werd afgezand, kwamen botten en scherven van aardewerk aan de oppervlakte. In 1991 legden opgravingen zeven skeletten bloot.
    Over de eerste kerk en haar gebruikers is weinig bekend. Van de parochie Vronen wordt voor het eerst melding gemaakt in een uit 1063 stammend verdragschrift van de kerkvoogd van Utrecht en de abt van Echternach. Uit een oorkonde die rond het jaar 1080 moet worden gedateerd, blijkt dat het benoemingsrecht over de kerk bij de abdij van Egmond berustte. Dankzij een prent van de Alkmaarse boekverkoper Jan Volkertsz weten we dat de parochie in 1280 werd geleid door een priester die Alard heette. Op de prent staat namelijk de kerkklok van Vronen afgebeeld, met het opschrift: ‘In het jaar des Heren 1280, ten tijde van de priester Alard, en wel in de maand September.’

Kapel van de heilige Pancratius
Nadat hun dorp was verwoest, trokken de Vroners westwaarts. In een brief die graaf Willem III op 20 maart 1323 ondertekende, is namelijk te lezen dat ‘de lieden die plachten te wonen te Vroonen op den Geest’ zich hebben gevestigd ‘op den Koedijk.’ Ze hadden daar een kerk gebouwd, met geldelijke hulp van de graaf. ‘Om aan die kerk’, aldus de brief, ‘ten behoeve van de geestelijke die haar bedienen zou, enige inkomsten te verzekeren, begiftigde de graaf haar met eene rente van tien pond Hollandsch ’s jaars.’
    Wanneer de Vroners naar hun bakermat zijn teruggekeerd, is niet duidelijk. Een eeuw na de verwoesting wordt weer van het dorp melding gemaakt, in een handvest van graaf Willem IV. In dit handvest, uitgevaardigd in 1415, werd het gebied van Koedijk, Vronen, Oudorp en Oterleek onder het Alkmaarse poortrecht gebracht. Uit een verzoekschrift dat de Vroners in 1487 aan de decaan van het Utrechtse domkapittel richtten, blijkt dat een nieuwe kerk is gebouwd – het huidige gebouw, in de brief aangeduid als ‘de Kapel van de Heilige Pancratius’.
    Pancratius, zo wil de legende, was een jeugdige christen uit het Klein-Aziatische Frygië die weigerde te offeren aan de Romeinse goden. In het jaar 304, onder het bewind van keizer Diocletianus, stierf hij
In 1487 doen de Vroners een verzoek hun kapel tot parochiekerk te verheffen
de martelaarsdood, veertien jaar oud. Boven zijn graf werd twee eeuwen later een kerk gebouwd. In de middeleeuwen werd Sint Pancratius in West-Europa vereerd door ridders, edellieden en grootgrondbezitters, onder meer als beschermer van de eed. In onze streken zou de verering zich vanuit het bisdom Utrecht naar het oosten hebben uitgebreid (Pancratiuskerken staan onder meer in Putten, Haaksbergen en Tubbergen), maar ook naar Noord-Holland. De eerste mededeling waaruit blijkt dat de verering van de heilige Pancratius bekend was in de abdij van Egmond dateert van 1136.
    In de brief die de Vroners in 1487 naar het Utrechtse domkapittel stuurden, verzochten ze de decaan hun kapel tot parochiekerk te verheffen en een priester te benoemen. Dan hoefden ze voor de viering van doop of avondmaal niet meer naar Oudorp, wat in de herfst- en wintermaanden een barre tocht was, ‘vooral wegens de hardheid en toomloosheid van het weer dat een zekere binnenzee in hevige beroering brengt’. De dorpen werden gescheiden door de Rekere, die de Zijpe met de Schermer verbond. Noordwesterstormen stuwden het water de trechtervormige bedding van de Rekere in, met overstromingen als gevolg.
    Het verzoekschrift aan de Utrechtse decaan was ondertekend door de ‘procuratoren’ van de kapel, anders gezegd: door de Vroners die met het financieel beheer van de kerk waren belast.

Gravure van Abr. Rademaker, 1725
Of mogen we inmiddels zeggen: Pancrassers? In een handvest van Filips de Goede uit het jaar 1434 wordt het dorp namelijk niet als Vronen maar als ‘Ste Pancras’ aangeduid. Als het dorp naar de kapel is hernoemd, zou dit betekenen dat de bouw van de kerk vóór 1434 moet worden gedateerd. In hun verzoekschrift van 1487 aan de decaan in Utrecht noemden de parochianen hun dorp echter nog gewoon ‘Vroon’. Hierop afgaand zou de naam van de kerk pas naderhand op het dorp zijn overgegaan.
    In 1514 gelastte de Habsburgse vorst Maximiliaan I, in zijn hoedanigheid van regent over de Nederlanden, een ‘Informacie up den staet, faculteijt ende gelegenheit van de steden ende dorpen van Hollant ende Vrieslant’. Anders gezegd: een statistisch onderzoek dat inzicht moest geven in het aantal inwoners van steden en dorpen, het aantal huizen (‘haertsteden’), de bestaansmiddelen, schulden, belastingen. De ‘Informacie’ kent ook een akte die ons dorp betreft, gedateerd op 18 september 1514. Van Vronen wordt in de akte niet gerept; het dorp heet officieel ‘Sinte Pancraes’. De parochie bestond uit 300 gelovigen die sinds ‘10 of 12 jaeren’ door een pastoor werden geleid.

Gravure van H. de Winter, 1744
Met andere woorden: de decaan van het domkapittel in Utrecht heeft de Pancrasser kapel kort na 1500 tot parochiekerk gepromoveerd en een eigen priester gegeven.

‘Een redelijk net kruiskerkje’
Tussen 1738 en 1795 verschenen 23 delen van de Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden. In het deel dat in 1750 werd gepubliceerd, werd over de kerk in Sint-Pancras het volgende vermeld: ‘De kerk staat een weinig agter de huizen van het dorp. Zij is een redelijk net kruiskerkje, met een toorentje ’t welk uit het midden van ’t dak met een spits naar boven rijst. In 1740 werd er in de kerk een nieuwe konstige predikstoel gemaakt.’
    De laatste zin heeft enige informatieve waarde, de eerste twee zinnen nauwelijks. Visueel komen we meer over de kerk aan de weet. De oudste afbeelding dateert van 1725. Het betreft een kopergravure die is gemaakt door Abraham Rademaker. Hij nam de gravure op in zijn verzamelwerk Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche outheden. Rademaker gold in zijn dagen als een bekende tekenaar en miniatuurschilder. Maar heeft hij de kerk in Sint-Pancras met eigen ogen gezien?

Gravure van A. Zeeman, ca. 1750
Vaak tekende hij zijn objecten na, uit boeken of van schilderijen en medaillons. Hij werkte doorgaans in opdracht, van vermogende kooplieden. Hun wensen kwamen de werkelijkheidszin van Rademakers werk niet ten goede. De gravure die Rademaker in 1725 van de kerk in Sint-Pancras maakte, lijkt evenmin werkelijkheidsgetrouw te zijn geweest. Dit blijkt uit een vergelijking met de gravure die H. de Winter in 1744 van de kerk maakte. De Winter was een leerling van Cornelis Pronk die er eer in stelde de werkelijkheid weer te geven; stad en land reisde hij af. Tekeningen van zijn hand verschenen in eerdergenoemde Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden.
    Pronks leerling De Winter tekende de Pancrasser kerk vanuit zuidwestelijke richting. Duidelijk is te zien dat de westelijke beuk korter is dan de oostelijke. Ook de gravure van A. Zeeman, een tijdgenoot van Rademaker en De Winter, toont een kerk met een rechte, veel kortere westbeuk. Oorspronkelijk moeten de beuken even lang zijn geweest, getuige de fundamenten die later op het kerkhof werden aangetroffen.

Prent van J. Bulthuis, 1794
    Nu laat Rademakers gravure ook twee verschillende beuken zien, maar in lengte lijken ze nauwelijks te verschillen. De rechterbeuk heeft een rechte muur – dit zou dan de westkant van de kerk moeten zijn. Op Rademakers gravure zouden we dus op noordkant van de kerk kijken, vanaf het huidige Kerkplein. De herberg die links van de kerk is getekend, stond in werkelijkheid echter rechts. Voorts verschilt de kerktoren van de toren die De Winter en Zeeman tekenden. Het ooievaarsnest lijkt Rademaker als een grapje te hebben bedoeld, misschien wel om aan te duiden dat de gravure met een korreltje zout moet worden genomen.
In 1794 vereeuwigde de Groningse tekenaar en schilder Jan Bulthuis de kerk. Beide beuken zijn even lang. Omdat de rechterbeuk een rechte muur heeft, zou ook Bulthuis de noordkant van de kerk hebben getekend. Gezien de wel zeer idyllische weergave van de omgeving lijkt ook hier de fantasie het van de werkelijkheid te hebben gewonnen. Daarom: lang leve de fotografie! Onderstaande foto is genomen vanaf de Bovenweg, rond 1885. Het gebouwtje op de voorgrond is het brandspuithuisje, dat in 1879 werd gebouwd. Rechts van het huisje, door de bomen, is de voormalige pastorie zichtbaar.

Restauraties
In 1907 kreeg de kerk een nieuw middenkruis en een nieuwe spits en werd de klok naar de toren verplaatst. Ook werden herstelwerkzaamheden aan het leien dak verricht en werd de pleisterlaag op de buitenmuren bijgewerkt.

De kerk ca 1885
Twee jaar later besloot de kerkenraad tot de aanschaf van een nieuw orgel. Een uit haar midden gevormde commissie toog naar de befaamde Utrechtse orgelmakers Maarschalkerweerd en Stulting, die een gebruikt orgel uit de tweede helft van de negentiende eeuw hadden staan. ‘De commissie’, aldus notulen van 8 juni 1907, ‘was eenstemmig van oordeel dat het orgel voldoende was voor de kerk en ook mooi en aantrekkelijk van toon.’ Het werd voor ruim 1300 gulden gekocht en op zondag 11 juli 1909 voor het eerst bespeeld door Frans Spaan uit de Butterhuizen.
    De kerk werd in 1943 van haar klok beroofd. Duizenden bronzen klokken werden in bezet Nederland uit de torens gelicht en in Duitsland omgesmolten tot wapentuig. Het college van burgemeester en wethouders heeft nog geprobeerd de vordering van de vier eeuwen oude kerkklok te verhinderen. Eerst ging een brief naar de Inspectie Kunstbescherming in Den Haag. Het college wees op de cultuurhistorische waarde van de kerkklok, voorts op het feit dat de klok was opgenomen in het luchtbeschermingsplan, maar de inspecteur hield voet bij stuk.
    Twee maanden later, op 4 maart 1943, wendde B&W zich tot de Alkmaarse advocaat en procureur mr. J. Belonje. Wat kon worden gedaan om de klok te redden? Belonje reageerde drie weken later. ‘Hiermede heb ik het genoegen U te berichten dat de klok in den toren der Ned. Herv. kerk ten Uwent voor “Nachprüfung” is aangewezen.’ Dit betekende dat de klok nader op haar kunst- en cultuurhistorische waarde zou worden bekeken en wellicht toch mocht blijven hangen. Belonje adviseerde de klok hiertoe met een hoofdletter ‘P’ (van ‘Prüfung’) te merken.
    Het mocht allemaal niet baten. Op 29 maart 1943 werd de klok uit de toren getakeld. Ook in Sint-Pancras verstomde het gebeier dat honderden jaren over de daken en de weilanden had geklonken. Na de bevrijding leverden naspeuringen naar het lot van de klok niets op. Begin 1948 werd een nieuwe klok geplaatst, met als opschrift: De oude klok geroofd door de barbarenhand / luide ik, zoo God wil, vrêe over ons vrije land. De nieuwe klok hing boven een kerk die dringend aan grootonderhoud toe was. Een onderzoek naar de staat van het kerkgebouw leverde in 1948 een alarmerend rapport op. De
‘De oude klok geroofd door de barbarenhand’
westgevelmuur stond gebogen, de noordoostgevel was gescheurd, de topgevel op het zuiden vereiste ‘dringende herstelling’. Rondom vertoonden de muren vele gaten. Die moesten worden opgevuld, waarna een nieuwe pleisterlaag moest worden aangebracht.
    Ook het dak was hard aan restauratie toe. Enkele dakvlakken bogen geheel door, maar dat was het ergste nog niet. ‘Het leien dak verkeert in zeer slechte toestand’, aldus het rapport. ‘De leien verpulveren en zakken uit de haken en nagels; ook zijn deze nagels merendeels verroest.’ Niet minder slecht was de toestand van de goten en de loden afdekkingen aan de onderkant van de daken.
    Het onderzoek was uitgevoerd door de architecten B.T. Boeyinga en W.J. Dirkmaat, die respectievelijk in Amsterdam en Alkmaar kantoor hielden. Boeyinga, een in Noord-Scharwoude geboren predikantszoon, was een gerenommeerde kerkarchitect. Hij bouwde kerken in onder meer Bergen aan Zee, Haarlem, Amsterdam en Wassenaar. Ook ontwierp hij het befaamde laboratorium van de Vrije Universiteit aan de Lairessestraat. Boeyinga’s collega Dirkmaat was een van de architecten van het in 1912 gebouwde afmijnlokaal van de groenteveiling in Broek op Langedijk.
    Als vervolg op hun rapport maakten Boeyinga en Dirkmaat de benodigde bouwtekeningen. Daarna, in het voorjaar van 1949, werden de restauratiewerken voor een bedrag van 32.500 gulden aanbesteed bij de plaatselijke timmerman en aannemer A. Schram. Maar de wensen van de kerkenraad reikten verder: vergroting van de glas-in-loodramen in de noord-, west en zuidgevel, een nieuw glas-in-loodraam in het middengedeelte van de oostgevel, twee portalen, rondom nieuwe bepleistering. Hiervan werden de kosten begroot op 45.000 gulden.

Het oude interieur van de kerk; de preekstoel staat tegen de oostmuur
    Door middel van collectes en donaties werd zevenduizend gulden bijeengebracht. Vierduizend gulden werd uit de financiële reserves gehaald. Het college van B&W zegde in oktober 1949 een subsidie van 7750 gulden toe, zijnde tien procent van de totale restauratiekosten. Bij elkaar 18.750 gulden, een bedrag dat niet eens toereikend was voor het ‘kleine plan’. In december 1949 moesten de werkzaamheden worden stilgelegd.
    Maar een maand later kwam gedeputeerde staten van Noord-Holland over de brug. Het provinciale college was bereid vijftien procent van het ‘grote plan’ te bekostigen, zijnde 11.625 gulden. De rijksoverheid gaf pas in augustus 1950 uitsluitsel. Het antwoord was het wachten waard geweest. Het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen stelde een bedrag van 38.750 gulden beschikbaar, de helft van de restauratiekosten. Nadat voor het resterende bedrag van ruim 8000 gulden leningen waren afgesloten, kon de restauratie worden voltooid. De kerk werd ontpleisterd, maar niet opnieuw bepleisterd. Nadat het bruine natuursteen tevoorschijn was gekomen, was in de kerkenraad de vraag gerezen of een nieuwe, veel onderhoud vergende pleisterlaag eigenlijk wel nodig was. Zo kon het toch ook? Uit de gemeente kwamen bezwaren, ‘omdat sinds mensenheugenis onze kerk als de "Witte Kerk" bekend stond.’
    De kerkenraad hield de beslissing ruim een jaar aan, tot begin 1951. Rondvraag leerde toen dat vele
In 1950 werd de kerk van haar witte pleisterlaag ontdaan
gemeenteleden inmiddels aan het natuursteen gewend waren geraakt. ‘Algemeen is het gevoelen dat niemand, die de kerk thans ziet, zal voelen voor opnieuw witten.’ Ook het interieur van de kerk was ingrijpend veranderd. De twee eeuwen oude preekstoel was van de oostkant naar de westkant verplaatst. De consistoriekamer verhuisde van de noord- naar de westbeuk, achter de preekstoel. Eind 1950 werden nieuwe banken aangeschaft, een paar maanden later werden zeven nieuwe gasradiatoren geplaatst en werd nieuwe verlichting aangebracht.
    Ruim drie decennia later waren de drie grote glas-in-loodramen, aan de noord-, west- en zuidzijde, aan vervanging toe. In het najaar van 1984, toen een aantal ruitjes moest worden vervangen, bleek de staat van de loodprofielen dermate slecht dat vernieuwing onontkoombaar was. Deze constatering was het begin van een lange weg, met één grote vraag: wie gaat dat betalen? Gaandeweg kwam er nog een tweede vraag bij: hoe lang houden de drie glas-in-loodramen het nog? Bij harde wind was het geklepper van het glas duidelijk hoorbaar. Keek je goed, dan kon je de panelen zien bewegen.

Najaar 2007, de kerk krijgt een nieuw dak.
    Collectes en giften, een bazaar van de vrouwenvereniging en donaties van het Pancrasser bedrijfsleven brachten 23.000 gulden op. In november 1989 zegde de Rijksdienst voor de Monumentenzorg 29.000 gulden toe. Samen met de gemeentelijke subsidie van 7000 gulden betekende dit een totaalbedrag van 59.000 gulden. De kosten van de restauratie werden echter op 73.000 gulden begroot. Uiteindelijk besloot de Rijksdienst haar bijdrage te verhogen zodat de drie ramen in het voorjaar van 1990 konden worden gerestaureerd. In de noord- en zuidgevel werd de originele afbeelding van het wapen van Sint-Pancras, dat in 1818 door koning Willem I aan het dorp was toegekend, in de ramen verwerkt. Het wapen-in-glas mag worden gezien als symbool van de verbondenheid van de kerk met de Pancrasser gemeenschap, en andersom.

Het dak eraf
In november 2006 werd de stichting ‘Vrienden van de Witte Kerk’ opgericht die zich ging inspannen voor het behoud en onderhoud van het kerkgebouw. Grootste zorg van de stichting, die onder leiding staat van Hans Bulte, voormalig burgemeester van Sint-Pancras en Langedijk, was het al geruime tijd lekkende dak. Kosten van vervanging: 280.000 euro. Door middel van fondswerving en diverse lokale acties werd binnen een jaar financiële dekking gevonden. In augustus 2007 gingen de eerste oude leien van het dak, een halfjaar later waren de werkzaamheden voltooid en werd de actie ‘Het dak eraf’ met een feestelijke ontvangst in de kerk afgesloten.
Print: Het dak eraf. De historie van de Witte Kerk

Print: Het dak eraf. De historie van de Witte Kerk

© Bak schrijft !     |     Historicus, schrijver en redacteur Peter Bak
Gepubliceerd >